-->
  • Alles
  • Over
  • Contact
Dit zijn alle posts in de categorie 'Interview'!
Posts tonen met het label Interview. Alle posts tonen

zaterdag 24 december 2016

De angst van iedere acteur


Nachtgasten Yorick Zwart Niels Croiset Koen Wouterse
V.l.n.r. Yorick Zwart, Niels Croiset en Koen Wouterse.

‘Welkom bij Nachtgasten!’ Het publiek in theater Bellevue wordt stil en kijkt naar het podium, waar Jef Hoogmartens, Koen Wouterse en Yorick Zwart elk op een stoeltje zitten. Niels Croiset staat en spreekt het publiek toe. ‘Zijn er nog mensen die ons niet kennen?’ Er wordt gelachen als een paar mensen aarzelend hun hand opsteken. ‘Oké, dan zal ik het voor hen nog één keer kort uitleggen.’

De zaal zit vol om voor de allerlaatste keer te kijken naar het fenomeen dat Nachtgasten heet. Een nooit eerder vertoond concept in de theaterwereld, dat zeven jaar geleden werd bedacht door vier bevriende acteurs: Zet (gast)acteurs op het toneel, laat het publiek binnenkomen en vertel hen dan pas het verhaal en de rollen die zij moeten spelen.

Het concept bleek vanaf de eerste voorstelling gigantisch goed te werken. Misschien wel omdat het raakt aan de grootste angst voor elke acteur: geen tekst, geen controle, geen regie.  Sterker nog: het publiek kent het verhaal beter dan de acteurs. Het publiek is namelijk verteld hoe de rollen in het spel zich tot elkaar verhouden, welke geheimen ieder personage heeft gekregen.

Dit alles maakt het kijken naar deze vorm van improvisatietoneel tot een opwindende ervaring. Het publiek zit vanaf de allereerste scène in het verhaal en voelt de spanning. Voor hun ogen ontstaan de mooiste dialogen en situaties. Het idee dat de bedenkers aan het begin hadden, bleek te kloppen: acteurs spelen op hun best als ze lichtelijk in paniek zijn.

Nu, na zeven jaar, 460 unieke voorstellingen, 750 verschillende gastacteurs en 150 verhalen heeft het theatergezelschap besloten te stoppen. Ik spreek de huidige drie Nachtgasten over hun besluit. Met Koen praat ik op vrijdag, terwijl we van het theater in Leiden naar de Jumbo lopen en weer terug (zie kader). Niels en Yorick spreek ik in een cafeetje, de middag voor de laatste voorstelling. Waarom gaan ze stoppen? Wat hebben ze geleerd?
Koen en ik staan in de Jumbo in Leiden, voor het wijnrek. “Toen we net begonnen met Nachtgasten voelden we ons zo schuldig dat we dit vroegen aan de gastacteurs. Ze spelen voor niets, terwijl het zó eng is. We dachten: we moeten de goeie snackjes en heel veel drinken hebben. We hadden elke avond een krat bier, 2 wijnflessen rood en 2 flessen wit. Dat ging bijna allemaal op. Zelf hadden we ook vreselijk veel gezopen. Toen we gingen touren, hebben we dat maar een beetje geminderd.”
Waarom gaan jullie stoppen?

Koen: “De rock-‘n-roll ging er een beetje vanaf. We zijn ooit begonnen met het idee om verschillende acteurs bij elkaar te zetten en samen te jammen. Maar het werd steeds meer het perfect uitvoeren van het format. Vorig jaar deden we drie voorstellingen in Engeland en dat was doodeng.  Ik kwam erachter dat ik in Engeland helemaal niemand versta en we speelden in een heel kleine ruimte voor dertig man publiek. Het was verschrikkelijk spannend, maar ook vreselijk leuk, want het was weer die rock-‘n-roll zoals vroeger. Dat is het moment dat we gingen praten: wat willen we, wat is onze toekomst? En daar denken we alle drie net iets anders over.”

Niels: “Ik vind het spelen nog steeds ontzettend te gek. De avonden en de nieuwe gastacteurs, dat is superleuk. Maar aan de andere kant, de voorbereidingen en het productionele, daar kreeg ik op een gegeven moment wel genoeg van.”

Koen: “Het is heel veel werk geworden. We moeten de publiciteit doen, we moeten subsidieaanvragen schrijven, we moeten acteurs bellen en 280 gastrollen per seizoen verdelen, wat een enorm gepuzzel is. Dat doen we bijna allemaal zelf.”

Jullie hebben een indrukwekkende lijst aan gastacteurs. Stefan de Walle, Loes Luca, Nasrdin Dchar, allemaal deden ze eens mee, ze werden er niet eens voor betaald. Was het moeilijk ze te vinden?

Yorick: “In het begin wel. Er waren acteurs die meteen ja zeiden, omdat we goed bevriend waren. Maar er waren ook die zeiden: ‘Daar ga ik me niet aan branden.’ Dat kantelde langzaam”

Koen: “Toen hebben we de fout gemaakt het in onze promo’s ‘bungeejumpen voor acteurs’ te noemen. Die opmerking vonden acteurs zo eng, dat het dat jaar heel moeilijk was acteurs te vinden. Daarna zijn we het ‘schaken voor acteurs’ gaan noemen, wat ook eigenlijk een terechtere naam is voor het spelletje. Op een gegeven moment deden er zoveel verschillende acteurs aan mee, dat het een ding werd: ‘als je niet meedoet met Nachtgasten als ze je bellen, ben je echt stom. Eigenlijk is onze wachtlijst nu even groot als acteurs die meegedaan hebben.”

Wat was de meest memorabele voorstelling?

Niels: “De allereerste voorstelling is misschien wel het meest memorabel, omdat het de eerste keer was dat we het deden. Koen had het verhaal geschreven, Yorick, Jef en ik speelden. We hadden één iemand uitgenodigd, Aus Greidanus, om mee te kijken. Het was een experiment en duurde drie en een half uur.”

Yorick: “Ik ben in mijn leven nog nooit zo zenuwachtig geweest.”

Niels: “Ik ook niet. Ik dacht dat dit het einde was van de samenwerking met de heren, omdat ze erachter zouden komen: ‘oh leuk, zo’n improvisatiegezelschap, maar Niels kan dat niet.’ Het was een waanzinnige ervaring. We waren heel erg hyper en enthousiast. En dronken. We wilden meteen weer.”

Ging er weleens iets mis?

Koen: “Ja, in het begin wel. We hebben weleens een acteur gehad die een geheim jatte. Een van de personages had een blauw oog en hij dacht: het zou wel mooi zijn als mijn rol dat meisje een blauw oog had gemept. Dus hij bekent dat. Het publiek ziet dat meisje schrikken en het publiek ziet die andere jongen ook schrikken, want hij had in zijn geheim staan dat hij dat had gedaan. En vervolgens dacht de acteur ook nog: het zou wel mooi zijn als ik ook nog een affaire met haar heb. Dus hij bekende ook nog die affaire. Toen ging dat meisje maar af, helemaal in paniek. En de andere acteur op de vloer stortte helemaal in, want die was zijn geheimen kwijt. Uiteindelijk hebben we hem ge-sms’t dat hij het terug móest draaien. Hij heeft het toen prachtig opgelost.”

Niels: “Het is ook eens voorgekomen dat een acteur een geheim verzon dat groter was dan de geheimen die in het verhaal stonden. Als wij schrijven dat het grootste geheim op overspel zit en iemand vervolgens komt met ‘ik heb een moord gepleegd’ maakt dat hele overspel natuurlijk niks meer uit. Dan kun je het hele verhaal direct in de prullenbak gooien. Het was de derde of vierde voorstelling met publiek, dus we raakten volledig in paniek: deze voorstelling is mislukt. Maar na afloop bleek dat het publiek de mislukking zag en ze vonden het fantastisch! Daar kwamen we erachter dat er eigenlijk helemaal niks fout kan gaan, want het publiek is medeverantwoordelijk. “

Koen: “Op een gegeven moment kwamen we erachter dat we de acteurs van tevoren heel goed de regels moesten uitleggen. En dat we zeker ook even moeten zeggen ‘durf het mis te laten gaan’, want het mag misgaan. Het publiek kijkt naar zoekende acteurs. Sinds dat geaccepteerd werd, ging het niet meer mis.”

Hoeveel leggen jullie van tevoren uit?

“De gastacteurs komen om half zes, dan gaan we eten. We eten altijd heel goed, daar steken we ons subsidiegeld in, want we hebben gemerkt dat acteurs beter spelen naarmate ze beter eten. Tijdens het eten hebben we het er nog weinig over, behalve dat het spannend en leuk is. Tijdens de koffie gaan we door de regels met Nachtgasten (zie kader 2) heen, daar nemen we een uur de tijd voor. En dan komt het publiek al bijna binnen, dus dan gaan ze zitten en is het opeens heel spannend.”

De zeven regels van Nachtgasten

  • Ontken het publiek te allen tijde
  • De acteurs zijn de baas over het verhaal
  • Op de spelvloer speel je altijd door
  • Koester de stilte
  • Geen herhaling van zetten
  • Wees tactisch met je geheim
  • Blijf luisteren en reageren op elkaar
Wat hebben jullie geleerd in die zeven jaar?

Yorick: “Heel veel, bijvoorbeeld een bedrijf runnen. Alles hebben we zelf uitgezocht en ontdekt. Een stichting oprichten, subsidieaanvragen schrijven, verkopen aan theaters. We hebben op een gegeven moment nog gedacht, dit is hartstikke leuk, dit zouden we ook voor anderen kunnen doen!”

Niels: “En improviseren. Tijdens de eerste improvisaties die ik deed, was ik altijd bezig met ‘wat vindt het publiek van mij’. Dat ben ik helemaal kwijt. Ik ben veel meer bezig om het verhaal, dus ik ben dienstbaarder en daardoor beter.”

Yorick: “Ik merk dat ik echt wel veranderd ben als acteur door Nachtgasten. Je moet het samen doen. Je kunt niet alleen maar op jezelf gericht zijn, dat is het leuke van improviseren. Als je die open houding vervolgens ook in een stuk doet waar je wel gewoon tekst hebt, wordt het beter. Want daar gaat toneelspelen om, dat je luistert.”

Wat gaan jullie nu doen?

Niels: “Ik ga me vooral richten op het schrijven.”

Yorick: “Ik heb met Koen in Schiedam een nieuw gezelschap opgericht, de Stokerij.”

Komen jullie terug?

Niels: “We stoppen in principe anderhalf jaar, maar we hebben geen afspraak gemaakt over wat we daarna gaan doen.”

Koen: “We blijven eigenlijk al wel hier en daar een voorstellinkje spelen. We vinden die avonden zo leuk, als ze ergens een voorstelling willen, dan zijn we nog wel te krijgen. Alleen die hele machine van een tournee van zeventig voorstellingen per seizoen, die stekker trekken we er even uit.”
Lykele Muus: "Ik zou heel graag nog eens meedoen"
Lykele Muus Ik heb veel Nachtgasten-voorstelling gezien, omdat ik tijdens de toneelschool in het theater werkte waar zij wekelijks speelde. Na de toneelschool was de drempel voor mij niet zo hoog, daarnaast haal ik veel plezier uit improviseren. Ik had al tientallen keren gezien hoe vrolijk de acteurs, die voor aanvang nog doodzenuwachtig waren, de zaal uiteindelijk verlieten.

Ik heb uiteindelijk twee keer meegedaan en zou dat heel graag nog eens doen. Het lastige is niet dat je van te voren niet weet welk personage of verhaal je speelt, maar dat de chemie van de 'casting' pas op de vloer merkbaar wordt. Ik had één keer geluk en toen speelde we heel leuk en mooi samen met een tof resultaat. En één keer was het een totale chaos van onbegrip en een verkeerde mix van speelstijlen. Als de een denkt een drama neer te zetten en de ander gaat volle bak comedy, krijg je een taaie avond. Maar ook dat is achteraf super grappig.
Bram Coopmans: "Een staat van zijn die ik niet met plezier opzoek"
Bram Coopmans Ik heb wel getwijfeld om mee te doen. Improviseren is een kwetsbare blootstelling voor een acteur. Ik ben ook snel onder de indruk van andere acteurs die ad rem, gevat en grappig zijn. Dan kruip ik het liefst onder een steen, denk dat ik faal en wordt onzeker over mijn eigen kunnen. Een staat van zijn, die je je wellicht kan voorstellen, niet een staat is die ik met plezier opzoek.

De jongens van Nachtgasten zijn heel goed, zeer aardig en trekken je met hun enthousiasme volledig mee. Al met al een leuke avond ondanks mijn eigen rotgevoel.
Pepijn Schoneveld: "Een feest op mee te doen"
Pepijn Schoneveld Binnen de acteurswereld werd het op een gegeven moment een ding; wie is er al voor Nachtgasten gevraagd en wie niet. Ik vond het dan ook een eer toen ik ze mij vroegen. Op de toneelschool hield ik al erg van improviseren dus ik vond het een feest om mee te doen. De jongens zorgden voor genoeg vertrouwen en slimme trucs om het nog spannender te maken, voor ons en het publiek. En een acteur die geen houvast heeft en aan het zoeken is wat hij moet doen, is sowieso altijd leuk om naar te kijken.
Maarten Wansink: "Dat Nachtgasten is afgelopen is een verarming van jewelste."
Maarten Wansink Het is een ramp dat Nachtgasten is afgelopen. Het enige podium voor serieus improvisatietoneel sluit. Dat is een verarming van jewelste. Ik heb zo'n twaalf keer meegedaan aan Nachtgasten en heb er alle keren van genoten. De eerste keer vond ik zenuwslopend, de karrenvracht aan intriges en verhaallijnen overdonderde me. Het pakte echter geweldig uit. De Nachtgasten zijn expert in het je op je gemak stellen en het samenbrengen van een cast die elkaar vertrouwt en opzweept. Nadien heb ik schaamteloos gebedeld om vaker mee te doen en het is een heerlijke tijd geweest. Hoewel ik weet dat veel toneelspelers het doodeng vinden kan ik me nauwelijks voorstellen dat je van deze oervorm van toneel niet zou houden.

vrijdag 1 juli 2016

'Eigenlijk hoef je hierna niks meer te schrijven'

1 juli 2013 overleed Maarten van Roozendaal. Hij liet een hele stapel liedjes na die nog steeds door velen worden geluisterd. Bewonderaars Eva Bauknecht, Maarten Ebbers, Ingmar Hetze, Niels van der Laan, Peter van Rooijen en Jeroen Woe spreken over zijn mooiste zinnen. ‘Maartens teksten zijn poëtisch, zonder dat ze in mooischrijverij vervallen en ze zijn gul en groots zonder dat ze pathetisch of potsierlijk worden.’

Maarten van Roozendaal Mooie Zinnen
Maarten van Roozendaal 1962 - 2013

‘Maarten is wat ons betreft met afstand de beste Nederlandse liedschrijver ooit.’ Beginnen cabaretiers Niels van der Laan en Jeroen Woe. ‘Hij heeft een enorme stapel liedjes die bijna zonder uitzondering zowel qua tekst als qua muziek onovertroffen zijn. Hij was de koning van de mensportretten, waarin hij met een paar kleine woordjes een heel mens kon scheppen. Zoals in het lied Judith, over Frans die op de camping een eenzijdige verliefdheid ervaart met de nieuwe campinggast Judith. In de eerste zinnen is het al raak’:

Het begon precies als ieder jaar: standplaats 1110
Een beetje scheef maar lekker dicht bij de toiletten
En Frans zet wel eventjes de caravan op z’n plek
De kinderen zijn al aan ’t zwemmen als Marijke thee gaat zetten

‘Door de eerste regel weet je al meteen met wie je te maken hebt: een stel dat niet van avontuur houdt. En al in de tweede regel leer je ze meteen goed kennen. Acht woordjes, maar je weet gelijk wat voor mensen het zijn. Je ziet het overleg voor je, je hoort de afwegingen om te kiezen voor een rechte plek óf voor een plek dichtbij de wc's en uiteindelijk zie je ze tevreden zijn met het gouden compromis. In de derde regel weet je door twee kleine woordjes wat voor man Frans is: “wel eventjes”. Daardoor weet je: Frans is een hele meneer. Of althans: dat vindt hij zelf. Die zet een caravan zonder moeite op de goeie plek. Zonder die twee woordjes was het gewoon een mededeling, nu is het een karakterschets.’

‘Ik vind Maarten vooral heel goed om dat wat er niet gezongen wordt. Om de beelden die hij oproept.’ Zegt cabaretier en liedschrijver Maarten Ebbers. ‘Bijvoorbeeld het nummer Graf waarin Maarten langzaam het beeld schets van een oude man die het graf van zijn overleden vrouw komt verzorgen. Hij biecht op dat hij een nieuwe vrouw heeft ontmoet en komt nu toestemming vragen om die “alleraardigste verschijning” te mogen begeleiden tijdens het veertigjarig huwelijksfeest van haar zoon’:

Wat ik jou nou wil vragen 
Is of het goed is dat ik volgende week woensdag dan op donderdag kom
En dan neem ik rozen voor je mee
En de woensdag erop kom ik gewoon weer op woensdag

Peter van Rooijen, net als Jeroen Woe en Maarten Ebbers als liedschrijver aangesloten bij Het Nieuwe Lied: ‘Maartens teksten zijn poëtisch, zonder dat ze in mooischrijverij vervallen en ze zijn gul en groots zonder dat ze pathetisch of potsierlijk worden. Er zijn zinnen die ontzettend slim geschreven zijn,’ zegt hij. Net als Niels van der Laan en Jeroen Woe noemt hij de eerste zinnen van Judith als voorbeeld. ‘Maar de zin die mij het meest raakt in al die liedjes van hem, komt uit Het lukt ook zonder jou, ergens halverwege het lied: “Je sterft met soortgelijk geweld als hoe je ooit in 't leven gleed.” Nadat ik die zin voor de eerste keer had gehoord, kon ik een tijdje niet bewegen. Alles was gezegd. Eigenlijk hoef je hierna niks meer te schrijven, dacht ik.’

Dichter Ingmar Heytze merkt op ‘dat veel memorabele zinnen van Van Roozendaal bijzinnen zijn, die sterk ironiserend werken.’ Hij geeft een voorbeeld uit Maaltijd: ‘Dat is helemaal niet erg, kleine moeite…’ ‘Maar het mooist vind ik toch: “Red mij niet”. Want in dat motto van drie woorden zit veel van wat Maarten van Roozendaal volgens mij voorstond, en wat volgens mij elke grote liedjesschrijver en -zanger, van Shaffy tot Brel, letterlijk voorstaat: laat me. Laat me dit doen, laat me leven zoals ik wil, en laat me met rust als je daar niet tegen kunt.’

Ook anderen halen Red mij niet aan. Maarten Ebbers: ‘Wat een fantastisch nummer en wat een zinnen!’ Van der Laan en Woe noemen het ‘misschien wel zijn allerbeste lied - en in onze ogen hét allerbeste Nederlandstalige lied. Een lied dat al jaren actueel is en misschien wel met de dag actueler wordt. Eigenlijk is elke zin in het lied mooi. Maar de eerste is misschien wel het raakst’:

Leg een steen onder je kussen
Brand van mijn part een kaars
Slacht een lam
Maar red mij niet

Maar dé mooiste zin? Dat is eigenlijk niet te beantwoorden, zegt ook geliefde en regisseur van Van Roozendaal Eva Bauknecht. ‘Het is een beetje zoals je een moeder zou vragen van welke van haar kinderen ze het meeste houdt. Ik ben vanaf het begin nauw betrokken bij Maartens werk geweest, en van elk lied weet ik nog hoe, wanneer en waarom hij het schreef. Natuurlijk zijn de liederen die Maarten voor mij heeft geschreven mij extra dierbaar, maar elk lied heeft voor mij zijn eigen schoonheid en kracht.’ ‘Echt kiezen is onmogelijk, daarvoor zijn er te veel mooie zinnen te vinden,’ beaamt Ingmar Heytze. Maarten Ebbers besluit zijn verhaal, na meer dan tien prachtige citaten: ‘Wat fantastisch dat hij zoveel heeft achtergelaten, maar ook zo jammer dat er niks nieuws meer van zijn hand zal komen.’


Joris van Meel en ik kennen elkaar niet, maar hebben elkaar vele mails gestuurd met het onderwerp: "Re: Maarten van Roozendaal". Het werd een gesprek tussen een rookie (ik) en een ervaren rot (hij, 36). 


vrijdag 25 maart 2016

Zeven bezoekers en hun mening

Woensdagavond reisden Rutger en ik af naar de Catharinakapel te Harderwijk, voor de voorstelling Voors en Tegens van stand-up comedian Murth Mossel. Rutger met zijn fotocamera, ik met mijn notitieboekje, wij beiden met gemeende belangstelling. Murth zit nog in de try-out fase dus we hebben plechtig beloofd geen recensie te schrijven. Nu doe ik dat nooit, maar om mijn belofte extra na te komen én uit de show geleerd hebbende dat een beetje dialoog de boel ten goede komt (krantenman, als je dit leest, bedankt!), doen we het anders. Ik vraag, bezoekers geven antwoord.

Onze interview-fotosessies duurden net zo lang als het duurt om het te lezen, want opeens was iedereen weg. Helemaal niet erg.

Bezoekers Murth Mossel Voors en Tegens
Tafeltje 1

“Wij gaan al jaren naar zijn shows. Ik vind het bijzonder dat Murth zo zijn eigen verhaal vertelt, zijn eigen mening. Bijvoorbeeld zijn verhaal over vluchtelingen, dat zet je toch aan het denken. Hoe denk ik er zelf eigenlijk over? Denk ik dan.”

Bezoekers Murth Mossel Voors en Tegens
Tafeltje 2

“Murth gaat heel veel de dialoog aan. Het is bijna meer iets voor in het Lagerhuis. Debat in plaats van cabaret, haha.”

Bezoeker Murth Mossel Voors en Tegens
Dit is geen tafeltje, meer een soort van bar.

“Ik heb me zeker vermaakt. (Lacht). Dat stuk met die tieten, dat was echt hilarisch.”

Nog mooiere en meer foto's zien van Rutger Hoekstra? Hier is z'n facebookpagina.


woensdag 9 maart 2016

Bedankt voor de mooie avond

Je mag gratis naar het theater, schrijft op wat je ervan vindt en krijgt er nog betaald voor ook. Is het vak van recensent echt zo ideaal als het lijkt? Cabaretrecensenten van de Volkskrant, het NRC Handelsblad, Trouw en het Dagblad van het Noorden geven antwoord. ‘Ik ben eens fysiek bijna bedreigd.’


Maar waarom dan?

Als recensent bezoek je regelmatig voorstellingen, soms zo’n vier keer per week. Vaak ligt daar een grote liefde voor het theater aan ten grondslag. ‘Al als jochie van twaalf wilde ik naar Toon Hermans,’ vertelt Jacques d’Ancona. De inmiddels 78-jarige d’Ancona is bij het grote publiek bekend geworden als juryvoorzitter van de Soundmixshow en is nog steeds werkzaam bij het Dagblad van het Noorden. ‘Ik mocht niet van mijn moeder, “dat is niet voor kinderen,” zei ze, maar ik wilde toch.’ Al gauw was hij zo’n drie à vier keer per week in het theater te vinden. Ook anderen ontwikkelden hun liefde al vroeg. Rinske Wels, recensent bij Trouw, deed in haar studententijd de programmering van het cultureel studentencentrum de Usva in Groningen. ‘Dat was met name cabaret, dus toen ben ik het veel gaan kijken.’

Na het vele kijken is het opschrijven van je mening een volgende stap. NRC-recensent Henk van Gelder: ‘Vanaf het begin heb ik veel artiesten geïnterviewd, maar na een jaar of tien begon ik, eerlijk gezegd, mijn eigen mening over het gebodene interessanter te vinden dan wat de artiest er zelf over te zeggen had.’ Het podium dat hem hiervoor geboden wordt, vindt hij fantastisch. ‘Volgens mij willen de meeste mensen na het zien van een voorstelling gráág aan hun vrienden en kennissen vertellen wat ze ervan vonden. En ik mag dat in de krant zetten, wat een voorrecht!’ Ook Volkskrantrecensent Joris Henquet combineert graag zijn enthousiasme voor schrijven en theater. En ‘omdat ik inmiddels zoveel voorstellingen heb gezien komt de mening eigenlijk altijd vanzelf.’

En dat verveelt nooit?

‘En dat verveelt nooit?’ vraag ik. ‘Nee.’ Is het korte maar overtuigende antwoord van d’Ancona op die vraag. Toen laatst zijn partner er even niet was, is hij acht keer op rij naar het theater gegaan. Zes keer voor een recensie en twee keer alleen als liefhebber. Ook Henquet gaat nog uit eigen beweging, bijvoorbeeld naar musicals en ander theater in New York. ‘Dat is volledig voor mijn plezier - en moet ik zelf betalen.’

Ieder hebben ze wel hun eigen favorieten. Micha Wertheim wordt opvallend vaak genoemd, Ronald Goedemondt, Wim Helsen. En ook als ze er zelf niet zo van houden, kan er best een goede recensie uit rollen. Wels noemt Jochem Myjer als voorbeeld. ‘Het is niet helemaal mijn smaak, maar ik kan wel zien dat het goed gemaakt is,’ zegt Wels, ‘en ontzettend goed getimed.’ ‘De vraag is, doen ze goed wat ze willen doen,’ voegt D’Ancona toe. Van Gelder: ‘Er zijn wel artiesten die ik zo vreselijk vind dat ik er nooit meer heen wil. Als ik van tevoren al weet dat ik het waarschijnlijk niet te harden vind, heeft het geen enkele zin om überhaupt te gaan. Voorbeeld van vroeger: Arie en Silvester. Voorbeeld van nu:  Jandino.’

Boze reacties

Er is eigenlijk maar één ding dat echt niet leuk is: ‘als een voorstelling heel slecht is,’ zegt Wels. Dat is vervelend om op te schrijven. ‘Ook slechte voorstellingen zijn met hart en ziel gemaakt.’ Toch moet het wel opgeschreven worden en dat leidt soms tot boze reacties van cabaretiers. ‘Als ik een slechte recensie schrijf, heb ik het vaak niet goed begrepen,’ lacht d’Ancona. Wels kreeg eens een boze sms van Jan-Jaap van der Wal na een negatieve recensie. Henk Elsink schreef, tevergeefs, een brief aan theaters om Jacques d’Ancona de toegang te ontzeggen. D’Ancona: ‘Jack Spijkerman heeft mij in de Leidse Stadsschouwburg fysiek bijna bedreigd.’ Het was nog een try-out, Spijkerman vond dat je daar nog niet over mocht schrijven. ‘Maar er zaten zo’n achthonderd mensen in de zaal, dat vind ik geen try-out hoor.’

Wels begrijpt wel dat artiesten in eerste instantie niet zo vrolijk reageren. ‘Voor een cabaretier is dat niet leuk, die moet de voorstelling daarna nog honderd keer spelen.’ Van Gelder: ‘Je wil als artiest niet meteen na de geboorte horen dat je een lelijke baby hebt gebaard.’ Maar de incidentele negatieve reacties zullen de recensenten nooit weerhouden op te schrijven wat ze vinden. ‘Als je nooit reacties losmaakt, ben je een saaie recensent en schrijf je blijkbaar niet prikkelend genoeg.’ Zegt Henquet daarover. ‘Daarnaast is het natuurlijk het allerleukste om heel mooi op te schrijven waarom je een voorstelling fantastisch vond en dat dan de wereld in te sturen.’ Daar is Van Gelder het mee eens: ‘Soms roept een artiest of impresario: bedankt voor de mooie recensie! Dan zeg ik: bedankt voor de mooie avond.’

De vier verschillende recensenten zijn het al met al ontzettend eens: het is een prachtig beroep. Als ik aan het eind van mijn vragen ben gekomen, schrijft Van Gelder bijna triomfantelijk: ‘Zie je hoe leuk het is cabaretrecensent te zijn?’

Lees hier het korte stukje met de titel die eigenlijk dit stukje had moeten krijgen. 


donderdag 31 december 2015

'Een heel grappige dominee'

De oudejaarsconference bestaat meer dan vijftig jaar. De traditie begon met Wim Kan, vanavond is het de beurt aan Herman Finkers. Wat maakt deze conference zo speciaal?

Oudejaarsconference Wim Kan Youp van 't Hek Freek de Jonge Seth Gaaikema Herman Finkers Guido Weijers
Deze prachtige illustratie is gemaakt door Willemijn Rog.

Voor veel volwassenen is het gevoel van oudjaar onlosmakelijk verbonden met het kijken naar de oudejaarsconference. Terwijl ouders voor de tv op de bank zitten, liggen kinderen in bed en vragen zich af waarom er beneden zo hard gelachen wordt. Het heeft iets magisch. ,,De show van Wim Kan in 1973 heeft enorme indruk op me gemaakt,’’ vertelt Erik van Muiswinkel. ,,Ik was 12 en mocht voor het eerst opblijven.” 37 jaar later zou hij zelf voor het eerst met oudjaar op het podium staan.
In een zoektocht naar de oorsprong en het bijzondere van het fenomeen, ontdekte ik
waarom de oudejaarsconference zo typisch Nederlands is, wat er veranderd is, hoeveel invloed de conference kan hebben en waarom Ronald Goedemondt nooit in zijn eentje met oudjaar op de buis zal zijn.

Waarom de oudejaarsconference zo typisch Nederlands is

“Een oudejaarsconferencier is in zekere zin een heel grappige dominee”
Al meer dan een halve eeuw bestaat het verschijnsel. ‘Wat maakt de oudejaarsconference zo typisch?’ vraag ik Kathleen Warners. Warners is hoofd amusement bij de VARA en bepaalt zo al jaren welke cabaretier 31 december op televisie te zien is. ,,De conferencier bespreekt de actualiteit,” zegt ze, ,,hij laat lachen, blikt terug, en biedt troost. En er wordt vooruit gekeken, ‘oké we kunnen weer verder’.”

,,Hoewel er veel veranderd is in de loop der tijd, is er minstens één ding hetzelfde gebleven,” vertelt Peter Voskuil. Een paar jaar geleden schreef hij een boek over de geschiedenis van de oudejaarsconference. ,,Gebleven is de behoefte om op oudjaarsavond terug te kijken of het afgelopen jaar. Om daarover te mijmeren, erom te lachen en subtiel een spiegel voorgehouden te krijgen.’’ Het pas perfect bij onze calvinistische inslag. ,,Vroeger ging Nederland massaal naar de kerk op die avond. In zekere zin is de oudejaarsconferencier een heel grappige dominee.”

De conference is niet los te denken van de publieke omroep. ,,Nederland 1, ergens tussen zeven en twaalf, dat is the place to be,” zegt Erik van Muiswinkel. Eigenlijk is het zelfs niet los te denken van de VARA. ,,We hebben het gewoon geclaimd,” lacht Warners. En inderdaad, verreweg de meeste zijn door de VARA uitgezonden. Het was ook bij die omroep dat het allemaal begon.

Waarom oudjaar sinds 1954 nooit meer hetzelfde is

“6,5 miljoen kijkers, waarderingscijfer 8.8”
De allereerste oudejaarsconference werd 1954 uitgezonden op de radio. Wim Kan, überhaupt al de uitvinder van het genre cabaret, krijgt van de VARA een uur helemaal voor zich alleen. Wat praatjes en wat liedjes op oudjaarsavond, een nieuwe traditie is geboren.

In 1973 maakte hij in navolging van Seth Gaaikema de overstap naar televisie. Die show, ‘Zuinig over de drempel’, is de grote favoriet van Van Muiswinkel. ,,Ik was toen twaalf en mocht voor het eerst opblijven.” En ook Peter Voskuil zal het nooit meer vergeten, want Wim Kan was in topvorm en de conference een triompf. Er waren 6,5 miljoen kijkers en het waarderingscijfers was een gigantische 8,8. ,,Deze oudejaarsconference werd de blauwdruk voor alle volgende. Nederland zat middenin de oliecrisis en er leken donkere tijden aan te komen. In zijn algemeenheid geldt sowieso: hoe meer ellende in een jaar, hoe beter de oudejaarsconference.”

‘De Openbaring’ van Freek de Jonge in 1982 heeft het genre daarna een stap verder gebracht. De oudjaarsconference werd sneller en anders in beeld gebracht en het tempo van spelen ging enorm omhoog.” Later kwamen Youp van ’t Hek en Lebbis en Jansen, the rest is history.

Opvallend in het rijtje conferences van afgelopen jaren, zijn die van Erik van Muiswinkel en consorten. In 2010 en 2012 maakte hij een show samen met respectievelijk zeven en zes andere cabaretiers, waaronder Sanne Wallis de Vries, Niels van der Laan en Jeroen Woe. Dat idee kwam in overleg met Kathleen Warners. Van Muiswinkel: ,,Ik was absoluut niet bereid om het alleen te doen, ik was toen geen solocabaretier, ik had altijd met een ploegje gewerkt.” De nieuwe vorm bleek heel goed te werken en leidde tot positieve reacties. ,,Maar de kijkcijfers waren matig, nog geen twee miljoen. Het is toch ook een kwestie van namen.”

Hoe Kan het CDA laat verliezen en Youp Buckler vermoordt

“Wim Kan had een enorme hekel aan Dries van Agt”
 Toen Kan voor het eerst op tv was, waren er meteen 6,5 miljoen kijkers. Dat is gegroeid tot 7,4 miljoen op zijn top. ,,Vanaf toen zijn de kijkcijfers alleen maar gedaald,” zegt Voskuil. Hij wordt er een beetje weemoedig van. ,,Youp is tegenwoordig de enige die nog een echt meervoudig miljoenenpubliek weet te trekken, andere oudejaarsconferences trekken hooguit een miljoen of zelfs maar een paar honderdduizend kijkers.” Vroeger keek heel Nederland dezelfde conference, nu is genre verwaterd. ,,Wat er nu gezegd wordt is van veel minder importantie dan in de tijd van Wim, Freek en Youp”. Voskuil pleit dan ook voor een conferencier des vaderlands.

,,Dat nationale gevoel uit 1973 zal niet meer terugkomen,” beaamt Erik van Muiswinkel, ,,het hele land keek toen naar Wim Kan. Niemand vond hem te links of te rechts. Geen sprake van.” Toch blijft Van Muiswinkel wel optimistisch over het genre. ,,We zijn cultureel uiteen gevallen, maar de behoefte aan de oudejaarsconference zal altijd blijven.”

Ook Freek de Jonge voelt dat er iets veranderd is. ‘Waarom was het vroeger zo leuk?’ vraag ik. Hij antwoordt dat er toen door de exclusiviteit een bepaalde sfeer omheen ging. ,,Nou dat is inmiddels voorbij.” Op de vraag wat hij vindt van de recente shows van bijvoorbeeld Youp van ’t Hek, Theo Maassen en Erik van Muiswinkel, antwoordt hij enkel, ,,daar ga ik niets over zeggen”. Hij piekert er niet over om ooit nog zelf met oudjaar het podium om te stappen. ,,The magic is gone.”
Vroeger was het beter. Dat de conferencier toen enorme invloed had, bewijst Wim Kan in 1967. Kan had een enorme hekel aan CDA-politicus Dries van Agt en dat liet hij merken ook. Voskuil: ,,Hij heeft hem heel vilein de verkiezingen laten verliezen dat jaar.”

,,Youp over Buckler was natuurlijk ook onvergetelijk,” voegt Warners toe. In 1989 heeft Van ’t Hek in één avond zo de gek aan gestoken met drinkers van het alcoholvrije bier dat dat het einde betekende van Buckler, dat onderdeel van Heineken was. ,,Hoewel het het bedrijf miljoenen heeft gekost, heeft Freddy Heineken hartelijk moeten lachen om de oudejaarsconference,” vertelt Voskuil.
De invloed heeft ook een keerzijde. ,,Dieptepunt vind ik de dreigementen aan het adres van Youp van 't Hek in 1999,” zegt Voskuil. Er waren zoveel mensen die aangaven de uitzending te zullen verstoren, dat hij de conference niet live heeft kunnen doen. Ook nu komt het voor dat mensen niet zo blij zijn met een grapje. Nadat cabaretduo Van der Laan en Woe in de show van Erik van Muiswinkel in 2010 een sirtakilied over de hulp aan Griekenland zongen, vertaalde iemand de tekst in het Grieks en kregen ze ernstige bedreigingen.

Waarom Ronald Goedemondt de oudejaarsconference nooit zal doen

“Theo Maassen kostte heel veel moeite”
Zolang er geen conferencier des vaderlands is, zullen er soms meerdere conferences per jaar zijn. ‘Op basis van wat wordt gekozen wie die voor de VARA doet?’ vraag ik Kathleen Warners. ,,De conferencier moet het jaar behandelen én bij de VARA passen,’’ antwoordt ze, ,,het moet grappig zijn, maar het moet ook zeker inhoud hebben.”

Guido Weijers, die conferences op de commerciële zenders houdt, zal nooit bij de VARA uitgezonden worden. ,,Het is een wereld van verschil. Hij heeft ook wel inhoud, maar andere inhoud. Dat is meer stand up.’’ En ook André Manuel, voor wie ze enorme bewondering heeft, zal er niet te zien zijn. Te grof. ,,Als je hem in het theater ziet, weet je wat je kunt verwachten, maar je kunt het niet zomaar de ether opknallen. Dat is niet verantwoord. Er zit toch een VARA-keurmerk op.’’

Ook op een oudejaarsshow van Ronald Goedemondt hoef je niet te hopen. Niet omdat het bij de VARA is, maar omdat het over de actualiteit gaat. ,,Hij wil zoiets ook niet, dat is niet wat hij doet.” Warners heeft naar eigen zeggen nog nooit iemand gevraagd die het niet wilde. Al kostte Theo Maassen wel heel veel moeite. ,,Meerdere keren dacht hij dat hij er niet uitkwam, dat hij het niet kon.” Uiteindelijk is het gelukt en was Warners onder de indruk van het resultaat. ,,Hij zei dat hij het nooit meer wilde doen. Later vroeg ik hem, ‘als ik je over een paar jaar weer bel, neem je dan ten minste de telefoon op?’ Nou ja, dat deed hij dan wel.” Ze lacht.

Geen Guido, geen André, geen Ronald dus. Maar wie dan wel? Warners is terughoudend met haar antwoord, maar Van Muiswinkel hoeft niet lang na te denken. ,,Eigenlijk hoop ik gewoon wijzelf. Dan kunnen we bewijzen dat het een vorm is die erg levensvatbaar is. Een muzikale en afwisselde inhoudelijke oudejaarsconference, moet het worden.” Voskuil heeft zijn hoop gevestigd op Hans Teeuwen. ,,Hij is denk ik van de huidige generatie cabaretiers ook het meest relevant als het om maatschappelijke issues gaat.”

Maar eerst Herman Finkers

“Herman Finkers is denk ik in aanleg niet geschikt”
Peter Voskuil is erg benieuwd naar de conference van Finkers vanavond. ,,Je moet er als cabaretier wel geschikt voor zijn. Herman Finkers is dat denk ik in aanleg niet. Maar dat kan ook weer heel verfrissend zijn juist.”

Kathleen Warners kijkt er erg naar uit. ,,Herman Finkers maakt wel betrokken cabaret. Een oudejaarsconferencier moet de tijdgeest pakken, maar dat hoeft niet per se aan de hand van specifieke gebeurtenissen. Alle grote thema’s van het jaar zullen terugkomen, maar hij zal niet alles expliciet noemen.” 

Erik van Muiswinkel verwacht dat het heel mooi wordt, algemeen geldig en tijdloos. ,,Hij is natuurlijk een allergeestigste cabaretier, maar ook filosoof. Hij is wel de man die rust breng.” De uitzending vanavond zal helemaal live zijn. Om het gevoel van oudjaar te versterken.  

Dit artikel verscheen op 31 december 2015 in iets gewijzigde vorm in de Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden.

Lees hier waar mijn fascinatie voor dit fenomeen vandaan komt:



woensdag 9 september 2015

Al 32%, nog 21 dagen

UPDATE 29 september 10:46: 100%! Nog 39 uur te gaan. 'Ik voel me enorm gesteund (want ik ben ook gesteund natuurlijk),' schrijft Peter op de website.
UPDATE 11 december: De cd is er! Luister 'm op Spotify of koop 'm gewoon!

Peter van Rooijen wil zijn eerste album uitbrengen. Met voordekunst probeert hij dat door middel van crowdfunding voor elkaar te krijgen. Sinds ik mijn bijdrage heb geleverd, betrap ik mezelf erop iedere dag de website van voordekunst te checken om te zien of het al opschiet. Al 32%, nog 21 dagen te gaan.

Peter van Rooijen door Joost de Haas
Beeld door Joost de Haas. Ja, dat zijn echte kakkerlakken.
Peter van Rooijen is een cabaretier en singer-songwriter, bijvoorbeeld bekend van Circus Treurdier of Het Nieuwe Lied. In de loop der jaren heeft hij een hoop mooie Nederlandstalige liedjes geschreven die hij nu wil uitbrengen op zijn debuutalbum. Via de website voordekunst.nl kun je met je bijdrage ervoor zorgen dat de cd er ook echt komt. Het systeem is leuk: in ruil voor je donatie krijg je iets terug. Een uitnodiging voor de cd-release, de cd en, als je erg vrijgevig bent, je hoofd op de albumhoes. Hier en hier het ultieme bewijs dat die plaat er moet komen, en hier een interviewtje:

“Je zou het eens moeten horen zoals ik het hoor”

Hoever ben je met het maken van de cd?
Ik zit in de eindfase van de muziekopnames en ik heb net m'n eerste volgorde gemaakt. Dat is leuk om te doen, je krijgt dan een idee van het karakter van het album. Maar het valt pas echt op z'n plek als alle zang- en koorpartijen erop staan.

Waarom moet die cd er komen?
Ik droom er al heel lang van om m'n liedjes te laten horen zoals ze voor mij klinken. Als ik een lied schrijf, dan hoor ik in m'n hoofd de band of het orkest mee spelen. Vervolgens doe ik dat lied in m'n eentje, zeggen mensen “Wat een mooi lied” en dan denk ik: “Je zou het eens moeten horen zoals ik het hoor.”

Kun je iets verklappen over de inhoud?
De cd gaat in stijlen van Tom Waits tot aan Chet Baker en van Steely Dan tot Paul Simon, en toch hoort het allemaal bij elkaar.

Heb je er vertrouwen in dat de teller over 21 dagen op 100% staat?
Ik denk dat er meer dan genoeg mensen zijn die plezier aan de cd kunnen beleven. Als die mensen me steunen, komt het absoluut in orde. Ik heb ook een prachtige bijdrage van het Ramses Shaffy Fonds gekregen, heel erg fijn! Maar ik blijf het spannend vinden, dus bij dezen: uw hulp is hartstikke welkom!

Wat is je Nederlandstalige lievelingsliedje?
Het is de ene dag “Mooi” van Maarten van Roozendaal, alle levenslust eruit spugen, zonder reserve, zonder zelfcensuur. En de andere dag is het de vertalingen van ‘Voir un ami pleurer’. Zo machteloos, zo eerlijk, de liefde en de liefdeloosheid tegelijk beschreven. Allebei ontzagwekkend mooi en groots.

Wat is je lievelingskleur?
Blauw.
Nee! AaaaaaARRRRG!!!



Klik hier om Peter te steunen.


dinsdag 16 juni 2015

Joost de Haas maakte de poster voor Van der Laan en Woe


Poster Van der Laan en Woe Alles Eromheen Joost de Haas ontwerper poster Van der Laan en Woe

Joost de Haas maakte de poster voor ‘Alles Eromheen’ van Van der Laan en Woe. Sinds 21 april hangt ook deze op mijn kamer en ik kijk er graag naar. Volgens mij krijgen posters en hun makers veel minder aandacht dan ze verdienen, dus ik belde Joost met wat vragen.

'Het concept van de voorstelling heb ik proberen toe te passen op het medium poster.'

Hoe is het idee voor de poster ontstaan?
De voorstelling was nog niet gemaakt, maar de titel ‘Alles Eromheen’ was er al. Eerst heb ik met Niels en Jeroen (Niels van der Laan en Jeroen Woe, red.) zitten praten over de inhoud. Ze vertelden dat de voorstelling zou gaan over concentratie en afleiding, over hoe alles eromheen je soms afleidt van dat waar het om draait. Dat concept van de voorstelling heb ik proberen toe te passen op het medium poster. 

Eerst bedachten we om Niels en Jeroen vanuit de poster naar alles om zich heen te laten kijken, naar de andere posters die er hangen, naar de omgeving. Het idee was leuk, maar op de dag dat we de foto gingen maken, bleek het niet te werken. Het zag er vooral gewoon heel raar uit. Toen moesten we dus iets nieuws verzinnen en kwamen we op het idee om ze te laten kijken naar alles om de poster heen. Naar dat wat erachter ligt.

Hoe heb je ‘m gemaakt?
Op de fotodag hebben we een foto gemaakt waarin ze in die houding staan. Volgens mij hebben ze nog een papiertje vast om hun handen een beetje in de goede vorm te krijgen. De rest is allemaal nabewerking. Ik heb bijvoorbeeld een foto van een gescheurde poster gemaakt om dat effect erin te krijgen.

Hoe lang heb je erover gedaan?
We hebben een uur samen zitten praten en verder heb ik er zelf nog een tijdje over na gedacht. Daar ga ik niet speciaal voor zitten, de ideeën komen meestal onder de douche of zo. Toen de fotodag, en daarna nog de bewerking. Daar ben ik zo’n drie volle dagen mee bezig geweest, uitgespreid over twee weken.

Wat vind je belangrijk aan (cabaret)affiche?
Ik vind het vooral belangrijk dat het één idee is. Soms zie je posters die veel te veel proberen te vertellen, je kunt beter één idee hebben en dat helemaal uitvoeren. 


Dit interview is deel 3 in de serie van drie. Lees ook:


maandag 15 juni 2015

Yvonne Roos maakte de poster voor Wim Helsen


Poster Wim Helsen Spijtig spijtig spijtig Yvonne Roos Ontwerper poster Wim Helsen

Deze poster is bedacht en gemaakt door Yvonne Roos. Het is de enige poster die mij wel eens laat schrikken. Als ik op mijn balkon sta bijvoorbeeld, of als ik gewoon naar het behangetje staar. Ik sprak Yvonne over het affiche en een beetje over de voorstelling die erbij hoort.

‘Pas als je langer kijkt, zie je ineens de grimmigheid tussen de stoffige bloemen opduiken.’

Hoe ben je op het idee voor de poster gekomen?
Toen Wim en het impresariaat mij vroegen de poster te maken, moest de voorstelling nog worden geschreven. Wel ontving ik een tekst getiteld ‘Spijtig, spijtig, spijtig’ waarin Wim belooft alle problemen op te lossen. Ze wilden graag een affiche met jaren 70 sfeer en de foto van Wim was al gemaakt. Al schetsend kwam ik terecht bij de patronen die zo kenmerkend zijn voor de zeventiger jaren. En na een brainstorm met Wim heb ik hier meer inhoud aan gegeven door er allerlei verborgen gezichten in te monteren, zodat de achtergrond van het affiche weerspiegelt wat er in het hoofd van Wim om gaat. 'Het is niet wat het lijkt', dat gevoel. Het stoffige behangetje blijkt een hele andere lading te omvatten dan het in eerste instantie doet vermoeden. De gezichten zijn afkomstig van foto’s van waterspuwers die ik heb gemaakt tijdens vakanties.

Wat is de relatie van de poster tot de voorstelling?
Ik denk dat het affiche de lading van de voorstelling dekt als je bedenkt in wat voor monsterlijke situaties je jezelf kunt laten belanden, brrr. Ook herken ik in het affiche het nerveuze, achterdochtige aspect uit de voorstelling. De discussie die Wim met zichzelf voert op de wc. 'Is het wat het lijkt?' 'Of stel nou dat, en wat dan!?’ ‘Zijn ze te vertrouwen?’.

Wat vind je belangrijk aan een (cabaretaffiche)?
Een goed theater- of cabaretaffiche raakt je wanneer je er snel langs fietst. Dat is vaak al heel knap, gezien de hectiek op en langs de Nederlandse fietspaden, met name in Amsterdam. Als een cabaret- of theateraffiche je in een paar seconden een bepaald gevoel meegeeft of een vraag stelt, vind ik het een geslaagd ontwerp. Terwijl je je fietsrit vervolgt, blijft het beeld bij je hangen en eenmaal thuis of op je werk ga je op zoek naar informatie over de voorstelling. Het affiche dat ik heb gemaakt voor de voorstelling van Wim Helsen vraagt eigenlijk wel iets meer tijd dan een paar seconden. Pas als je langer kijkt, zie je ineens de grimmigheid tussen de stoffige bloemen opduiken.

Zie hier de website van Rooswerk.

Dit interview is deel 2 in een serie van drie. Lees ook:
- Een muur vol posters (de inleiding)
- Interview met Ruben Steeman, waarin hij vertelt hoe hij de poster voor ‘Zo Goed Als Nieuw’ van Pieter Derks bedacht en maakte.
- Interview met Joost de Haas, ontwerper van de poster voor ‘Alles Eromheen’, een voorstelling van Van der Laan en Woe.


zondag 14 juni 2015

Ruben Steeman maakte de poster voor Pieter Derks


Poster Pieter Derks Zo Goed Als Nieuw Ruben Steeman Ontwerper poster Pieter Derks

Ruben Steeman maakte de poster voor de voorstelling van Pieter Derks. Bij gesprekken over mijn muur komt die steevast ter sprake. Omdat de soms erg mooi ontworpen affiches best wat aandacht verdienen, vroeg ik Ruben naar het ontwerpproces.

‘We wilden de Da Vincitekening citeren, niet kopiëren.’


Hoe ben je op het idee van de poster gekomen?

We wilden iets doen met oud en nieuw. En dan niet het oliebollenfeest, maar oude principes en nieuws. Pieter heeft in zijn shows veel actueel werk en de onderwerpen die hij bespreekt koppelt hij ook aan stukken geschiedenis, dingen die terugkomen. We hebben een aantal voorstellen gedaan, maar we zijn uiteindelijk op de tekening van Da Vinci gekomen tijdens het schetsen. Al schetsend zie je soms plots iets wat je niet bedacht had, en zonder die schets ook niet bedacht had kunnen hebben. Ik probeerde iets met een standbeeld dat de krant las en tegelijk een microfoon vasthield, en toen leek de houding opeens op die tekening.

Hoe en waarom heb je hem zo gemaakt?

We wilden de Da Vincitekening citeren, niet kopiëren. Het naar deze tijd toe trekken, zonder de associatie te verliezen. In de foto hebben we alles heel simpel gehouden. 

De achtergrond is de muur van de studio van fotograaf Arjen Benning. Het is een geschikte muur om het papier van de tekening te verbeelden, het heeft dezelfde kleur. Ik heb met een dik stuk grafiet een vierkant en cirkel op de muur getekend op basis van Pieters maten. Toen hebben we Pieter een aantal keer gefotografeerd, onder andere steunend op kratjes om de gespreide stand van zijn benen voor elkaar te krijgen. In nabewerking hebben we de beelden over elkaar heen gezet. De typografie in klein in potlood getekend, om dezelfde structuur te krijgen als het grafiet.


Wat vind je belangrijk aan een (cabaret)affiche?

Bij een affiche voor een solovoorstelling dat de speler er goed herkenbaar op staat. Dat de sfeer aanspreekt of prikkelt. En misschien wel dat je zelf met het beeld aan de haal gaat, dat je geïnteresseerd raakt in het verhaal dat het beeld vertelt. Of in ieder geval dat je ernaar kijkt. Cabaretaffiches mogen van mij ook wel grappig zijn, al is deze dat niet echt. Waar ik slecht tegen kan, is cabaretaffiches met portretten van de cabaretier met een gulle lach. De bedoeling is dat je mij aan het lachen maakt, en zo’n gemaakte lach doet dat eigenlijk nooit, die wil ik liever punchen. 

Zie hier de website van Buro RuSt.


Dit interview is deel 1 in een serie van drie. Lees ook:

- Een muur vol posters (de inleiding)
- Interview met Yvonne Roos, ontwerper van de poster voor Wim Helsens voorstelling ‘Spijtig, spijtig, spijtig’.
- Interview met Joost de Haas, ontwerper van de poster voor ‘Alles Eromheen’, een voorstelling van Van der Laan en Woe.


vrijdag 20 maart 2015

Bedankt voor die bloemen




Wat moet een cabaretier toch met al die bloemen die hij krijgt na een voorstelling? Jeroen Woe, Youp van ’t Hek, Wim Helsen, Pieter Derks en anderen nemen de bosjes graag in ontvangst. ,,Geven is altijd goed, ontvangen ook.’’

In het theater heb je niet zoals in de bioscoop een aftiteling. Lastig, juist na een indrukwekkende cabaretvoorstelling kun je toch niet zomaar, bam, de lampen aandoen en in gesprek raken met je vrienden alsof er niks gebeurd is? Gelukkig is een voorstelling nooit bam afgelopen. Rondom het einde zit een tamelijk vaste procedure met als hoogtepunt de bloemen.
Die bloemen zijn een merkwaardig fenomeen. Ervan uitgaande dat het theaterseizoen loopt van september tot juni, 9 maanden dus, en dat een cabaretier zo’n 12 keer per maand op de planken staat, krijgt een artiest 9 x 12 = 108  bossen bloemen per jaar! Hon-derd-acht! Verjaardags- en prijswinbloemen niet meegerekend. Dat vind ik veel. Als je die allemaal schuin af moet snijden en in lauwwarm water zetten, houd je geen tijd meer over. En geen plek in je huis. Wat moet je ermee?
Op internet ging ik op zoek naar informatie over deze gewoonte. Dat mislukte jammerlijk, want mijn zoekresultaten werden gedomineerd door stukjes over Karin Bloemen. Daarom besloot ik het de cabaretiers zelf maar te vragen. En ik kreeg heel leuke antwoorden. “De volgende keer in Heerenveen of Drachten krijg jij mijn bloemen!” zei Youp van ’t Hek. Verder vertelden ze van alles. Dat ze soms helemaal geen bloemen krijgen. Of ze zelf moeten betalen. En zijn de bloemen eigenlijk wel voor de artiesten? Of misschien meer voor het publiek?

"Of mijn technicus krijgt ze mee om zijn vrouw blij mee te maken"

,,Ik vind het heel fijn om een huis vol bloemen te hebben’’, begint Carolien Borgers. Ze is dan ook blij als ze een boeket krijgt. Een half bosje vaak, want de meeste theaters denken dat ze alleen op het podium staat. ,,De gitarist krijgt de andere helft. De bos hebben ze vlak voor het einde van de voorstelling nog driftig uit elkaar gehaald en er twee bosjes van gemaakt. Meestal erg karige bosjes, maar dat vind ik ook wel ontroerend.’’ Hoe klein ook, ze neemt het mee naar huis. ,,Fijne bijkomstigheid: mijn gitarist houdt niet van bloemen dus ik krijg die van hem ook altijd mee.’’
Ook Pieter Derks zet ze thuis in een vaas. ,,Of mijn technicus krijgt ze mee om zijn vrouw blij te maken.’’ Niet iedereen neemt ze altijd mee. Jeroen Woe zegt schuldbewust: ,,De eerste uitdaging is om ze niet te vergeten! Soms laten we ze per ongeluk liggen in de kleedkamer, dat is natuurlijk niet zo beleefd.’’

Meenemen hoeft niet per se. Je kunt ze ook weggeven, een tactiek die menig cabaretier hanteert. Aan de dame van de artiestenfoyer (Youp van ’t Hek), aan een knap meisje op de eerste rij (Pepijn Schoneveld) of aan ,,de persoon die ik medeplichtig heb gemaakt aan de voorstelling.’’ (Wim Helsen).

"Ik moest mijn bloemen zelf betalen"

,,Geven jullie een artiest altijd bloemen na een voorstelling?’’ Vroeg ik meerdere theaters. ,,Ja’’, zegt De Lawei. ,,Ja, altijd’’, antwoordt het Posthuistheater in Heerenveen. Ook Carré in Amsterdam geeft altijd bloemen bij de eerste voorstelling of première. Maar niet alle theaters geven bloemen. Sommige theaters reageren desgevraagd dat ze er simpelweg de financiële middelen niet voor hebben. Geen bloemen is dan een oplossing, maar je kunt het ook anders aanpakken.
Theater Bellevue in Amsterdam is daar berucht om. Pepijn Schoneveld kreeg na zijn première wel bloemen, maar die moest hij zelf betalen. Een dergelijk verhaal komt de Vlaamse komiek Wouter Deprez bekend voor. ,,Jaaa’’, roept hij uit wanneer ik hem ernaar vraag. ,,Daar hebben ze wisselbloemen, die moet je teruggeven. Dat zijn plastic bloemen, die liggen daar bovenop een kast en die stoffen ze voor de voorstelling even af.’’

Andere theaters geven iets anders, meestal een streekproduct. In Naaldwijk geven ze een kistje groenten, in Tiel appels. Podium Reimerswaal in het Zeeuwse Rilland heeft jaren een T-shirt met daarop Vrienden van de mossel gegeven. Een woordvoerder: ,,Er zijn cabaretiers die ermee gingen stappen in Amsterdam (Leo Alkemade en Roel Bloemen). Dat leidde tot grote hilariteit.’’ Rode wijn is ook een populair bedankje. ,,Dat vinden we altijd erg leuk’’, zegt Jeroen Woe. ,,En soms krijgen we een fles speciaalbier, dat is natuurlijk het allermooist.’’

"Wij noemen geen namen"

Dat de bloemen gegeven moeten worden ná de voorstelling, daar is iedereen het wel over eens. Maar wanneer precies lijkt nog best lastig. In Carré wordt het moment bepaald door de toneelmeester. In het Posthuis wordt er vooraf gewaarschuwd: ,,als er dit of dit gezegd of gedaan wordt, dan zijn we nog vijf minuten verwijderd van het einde.’’ Meestal geeft de techniek een seintje. Dat moment is niet altijd even gelukkig, vindt Jeroen Woe. ,,Dat het publiek net besluit dat het wel lang genoeg geklapt heeft en dat dan nog eens die bloemen komen. Wij blijven vriendelijk lachen, maar in de zaal zie je de mensen kijken van: schiet es op joh, we krijgen pijn in de handen!’’

Rigt Oostenbrug, van de Lawei in Drachten, werkte voorheen in de horeca van De Oosterpoort in Groningen. Bloemen geven behoorde af en toe tot haar taak. Dat was geen probleem, tot ze een bos aan Vincent Bijlo moest overhandigen en niet wist dat hij slechtziend was. ,,Toen ik het toneel op kwam liep hij af, en dus liepen wij tot twee keer toe achter elkaar aan over het toneel.’’
Pieter Derks pleit voor een duidelijke geefinstructie. ,,Dat zowel artiest als bloemenmeisje weten of er gezoend wordt, of een hand geschud, of alleen maar overhandigd. Nu sta ik vaak toch anderhalf uur te spelen in zenuwachtige afwachting van dat ongemakkelijke moment tijdens het slotapplaus.’’
Alle cabaretiers genoemd in dit verhaal geven aan dat ze het fijn vinden om bloemen te krijgen. Carolien Borgers: ,,De traditie geeft voor mij aan dat mensen blij zijn dat je gekomen bent, dat je het publiek een goede avond hebt bezorgd.’’ Toch heeft Theater Carré ook andere ervaringen. Daar gaat de anekdote dat een beroemde artiest – ,,wij noemen geen namen’’ – de bos weigerde omdat zij het boeket te veel vond ruiken.

"Zonder bloemen ga ik ook door met spelen"

Maar zijn de bloemen wel echt voor de artiest? ,,Het is in onze beleving bijna meer iets voor het publiek dan voor de artiest.’’ Jeroen Woe daarover: ,,Als we een keer geen bloemen krijgen, vragen mensen in de foyer ons na afloop of we dat niet stom vonden, dat we geen boeketje kregen.’’ Dat is ook wat ze bij theater Geert Teis in Stadskanaal zeggen, ,,dat het de avond voor het publiek compleet maakt.’’

Bloemen als bedankje voor de artiest of als vervanging van de aftiteling voor het publiek. Het maakt ook niet zoveel uit, het is een mooie gewoonte. ,,Zonder bloemen ga ik ook door met spelen’’, zegt Youp van ’t Hek. ,,Geven is altijd goed, ontvangen ook,” aldus Wim Helsen. Pieter Derks: ,,Een goede, dikke, vette, kleurrijke bos bloemen, gebracht door een goedlachse dame van het theater, daar kan niemand tegen zijn.’’ Al wordt het soms een beetje veel. Als ik aan het eind van mijn vragenlijstje vraag of de cabaretier verder nog iets kwijt wil, antwoordt Jeroen Woe: ,,Bloemen. Een bos of 6. Iemand?’’

De oogst van één week in de vensterbank van Jeroen Woe.

Dit artikel verscheen op 19 maart 2015 in de cultuurbijlage van de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden.

Lees hier het voorafgaande stukje.


donderdag 19 februari 2015

En hier is wat ik vind | Wouter Deprez



Bonuspakket: interview met Wouter Deprez + verslag van de voorstelling + publieksreacties


Op de rode pluche stoelen van schouwburg Odeon in Zwolle, helemaal vooraan, zitten Janine en ik te wachten. De tl-verlichting gaat aan,  de gordijnen worden weggeschoven, snoeren worden opgerold. Langzaamaan wordt dat wat net nog een theaterzaal leek, opgeruimd tot niets dan een kille lege ruimte.
We hebben net de voorstelling ‘Hier is wat ik denk’ van Wouter Deprez gezien. Wouter is een gespierde Vlaming met een glimmend oorbelletje en (maar?) een lieve gezichtsuitdrukking en donkere pretogen. En grappig, hij is ook grappig. Na een paar minuten komt hij naar ons toelopen. Met een stralende blik steekt hij zijn hand uit. ‘Daarachter is een soort foyertje, daar kunnen we wel gaan zitten.’ Oehoe, amai, we gaan behind the scenes! 

‘Hier is wat ik denk’ is Wouters achtste voorstelling. Maar wat voor soort voorstellingen hij maakt, is nog niet zo’n gemakkelijke vraag. ‘Ja, dat is een beetje lastig. Cabaretiers zeggen altijd dat het geen cabaret is, stand-up comedians vinden het geen stand-up comedy en theatermakers noemen het geen theater.’ Hij lacht. ‘Dus ja.’ Het is inderdaad lastig zo een keuze te maken. 

In zijn show vertelt hij een, zoals hij het zelf noemt, ‘verzonnen autobiografisch verhaal’. Hij vertelt het publiek over het jaar waarin hij in Zuid-Afrika woonde, alwaar hij onder andere cursussen Afrikaanse dans gaf. ‘Ze hadden dat nog nooit gezien. Die Afrikanen kennen hun eigen cultuur niet.’ Af en toe zijn de grappen plat, maar aan de hand van zijn ervaringen in het buitenland en vooral ook die bij terugkomst, laat hij ons ook van alles inzien over onze eigen maatschappij. Er is veel interactie met het publiek: Hij praat met werklozen, met gepensioneerden en mensen die nog 21 jaar lang aan een hypotheek vast zitten. Veel mensen die ik na afloop sprak, vonden het dan ook best confronterend. 

Het hoeft trouwens heus niet de hele tijd ergens over te gaan. Sommige grappen zijn gewoon heel grappig. Af en toe tegen het absurde aan. Ik zal nooit meer normaal naar een supermarkt kunnen gaan: Zijn stuk over het bevrijden van de supermarktkarretjes was hilarisch. Het waren die absurde stukken waarin ik lichtjes de invloed van Wim Helsen voelde, iemand die Wouter erg bewondert. ‘In het begin waren mijn voorstellingen echt rip-offs van zijn voorstellingen, maar nu heb ik meer mijn eigen stijl gevonden.’ Soms hebben ze dezelfde thema’s, ‘we hebben ook de zelfde regisseur, Randall Casaer’, maar de uitwerking is anders.

Wouter Deprez Hier is wat ik denk
Ik weet niet precies wat hij denkt, maar gelukkig wel wat ik denk.















In deze voorstelling probeert Wouter gewoon te zeggen wat hij denkt. ‘In vorige voorstelling dacht ik vaak ‘ik móet zorgen dat ze het grappig vinden’ en deed ik gekke kleren aan, mutsjes op en ging ik dansjes doen. Nu ben ik meer bezig met vertellen.’ Hij probeert te vertellen wat hij echt vindt, waar hij boos om wordt, waar hij mee zit en wat hem raakt, maar dat vindt hij soms nog best lastig. ‘Ook omdat ik het zelf soms ook niet helemaal weet.’ Het is ook daarin dat hij het verschil tussen Nederlands en Vlaams publiek merkt. ‘Nederlanders zijn veel directer en hebben minder moeite dingen te zeggen, terwijl Vlamingen meer tussen de lijntjes lezen. Nederlanders snappen dat niet, die denken ‘waarom zeg je het nou niet gewoon?’’ 

Toch denk ik dat het hem goed gelukt is te zeggen wat hij denkt. Het publiek dat ik na afloop sprak, prees steevast zijn openheid. Verder waren de mensen niet zo precies. ‘Ik vond het geniaal’ zei een man. ‘Maar wat vond je geniaal?’ vroeg ik. Hij dacht even na en nam een slokje van zijn biertje. ‘Het was magistraal.’ Aha. Verder gehoord: ‘Heel erg grappig’ en ‘Ik heb heel hard gelachen’. Het ís ook moeilijk om zijn voorstelling te karakteriseren, dat vindt zelfs Wouter. Maar, zo zei een vrouw na afloop, ‘dat doet er ook niet toe toch? Het was een hele leuke avond.’ 

Na het interview hadden we nog een bijzonder leuk gesprek over het bloemenritueel en kregen we interessante inside information. Dat alles vind je in dit artikel, dat ook in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden verscheen.

dinsdag 28 oktober 2014

4 mannen, 17 kiwi's, 1 bakje geitenkwark



Een verslag van de voorstelling en een interview per mail.

“We willen graag met iedereen vergeleken worden, mits de conclusie vervolgens maar is dat we er niet echt op lijken.”

Rob Veugelaers Herman in een bakje Geitenkwark Rein Mulder Herman in een bakje Geitenkwark Benny van der Bijl Herman in een bakje Geitenkwark Polle Vrienten Herman in een bakje Geitenkwark
Dit zijn de mannen van de Herman in een bakje Geitenkwark. Ga met je muis over de foto om de namen erbij te zien. Wel doen hoor, ik heb er heel lang aan gewerkt. Al was het maar om erachter te komen wie nou eigenlijk wie is. (Op tablet of telefoon kun je klikken.)

Vrijdagavond ging ik met een vriendin naar Herman in een bakje Geitenkwark. Inderdaad, Herman in een bakje Geitenkwark. Vier mannen op een podium, geen decor, geen instrumenten. Ze wilden hun ideeën tonen aan de wereld, zochten daar een vorm voor en vonden het: theater. Ze willen graag met iedereen vergeleken worden, “mits de conclusie vervolgens maar is dat we er niet echt op lijken. En dat we iets heel bijzonders en unieks en nieuws zijn.” Een verrassende, afwisselende en ietwat verwarrende avond.

Rob, Rein, Benny en Polle spelen de voorstelling die avond in Sneek voor de 128e keer. Tijdens de tournee verandert de voorstelling nog een klein beetje. “Heel rustig en je merkt er niks van, maar na drie jaar heeft Benny opeens een baard. Dat soort shit.” Aldus Rob. Het meeste blijft echter gewoon hetzelfde en dat is maar goed ook. Kleine sketches en absurde liedjes wisselen elkaar in een rap tempo af. De overgangen zijn soepel, je hebt niet eens tijd om te klappen. Op het ene moment gaan er vierstemmig 17 kiwi's in een blender en een seconde later springen de tranen je in de ogen om een sketch over een jongetje en zijn vader. Ik zat vol verbazing en verwarring in de zaal en was tussen het lachen door onder de indruk van hun muzikaliteit.

Toen ik bezoekers na afloop vroeg wat ze ervan vonden, zeiden ze allemaal onmiddellijk dat het zo muzikaal was. “En absurd, maar niet te.” Een andere bezoeker vond het seksgrappengehalte wel wat hoog. “Er zaten best veel ouderen in de zaal dus in het begin was ik bang dat zij dat niet zo op prijs zouden stellen, maar het bejaarde stel dat naast mij zat hing helemaal scheef in hun stoel van het lachen.” Er zaten inderdaad een paar grapjes in over geslachtsdelen, maar plat werd het nooit. Hoe plat kan de zin 'soms weet ik niet waar mijn balzak eindigt en mijn anus begint' nog zijn als het loepzuiver vierstemmig gezongen wordt?

De tournee van de huidige voorstelling, gewoon getiteld 'Herman in een bakje Geitenkwark,' is bijna afgelopen. In maart beginnen ze met de try-outs van hun nieuwe show. “Die wordt zeker anders, maar we garanderen eenzelfde hoeveelheid lol, ontroering en ontgoocheling,” zegt Rob. De naam? “O, die gaat gewoon Herman in een bakje Geitenkwark II heten,' lacht hij na de voorstelling, “en die daarna Herman in een bakje Geitenkwark III”. Handig om bij te houden of je wel overal bij bent geweest. Want dat moet je doen, het was namelijk fantastisch. En als je meer wilt weten, moet je maar gewoon gaan kijken.

Verwacht geen toneel, verwacht geen concert, verwacht geen cabaret. Verwacht Herman in een bakje Geitenkwark, want dat is wat je krijgt. Op schaal van één tot geitenkwark, 87.